En met Anna?


Flaptekst

Fragment
En met Anna?

Mano Solo


Uitstekende plaats had Hugo mij bezorgd, met een beetje geluk reikte het speeksel van de artiest tot hier. Konden we de vullingen in zijn tanden zien. De kleine wondjes in de holte van zijn ellebogen. Ik keek om me heen. De zaal was bijna vol. Rare toestand, trouwens, dat openingsconcert: poepsjieke zaal, enkeldik tapijt, zaalwachten met witte handschoenen, genummerde plaatsen, pluchen stoelen, kristallen kroonluchters en glimmende genodigden, en dat alles mengde zich moeiteloos met het kletsnatte geteisem dat ongegeneerd zijn doorweekte Airwings uittrok en in het gangpad liet slingeren.

Nu kwam de beau monde eraan, le tout Ostende, zoals Hugo hen noemde, en ze kwamen ruim te laat, zoals dat hoorde, want dan kon iedereen hen zien aankomen. Mano Solo zou hen met plezier zijn blote kont laten zien, of het achterste van zijn keel, wat hoogstwaarschijnlijk op hetzelfde neerkwam, dacht ik nog even, maar daar floepten de zaallichten al uit en het orkest begon te spelen. Le tout Ostende struikelde verontwaardigd over zijn eigen voeten en stommelde grommend verder. Grinnikend zag ik ze bezig, le tout Ostende, maar intussen gleden mijn ogen speurend langs die steile helling vol publiek achter mij, en ze wisten niet wie ze zochten.

Net voor het echt pikdonker werd kwam iemand naast me zitten. Ik hoopte op Bert, dacht aan Devolder, maar het was Hugo.

‘Bizarre bezetting,’ fluisterde hij in mijn oor. ‘Bas, trombone, ritmesectie en een strijkkwartet… Let op, dit wordt memorabel!’

‘Die Devolder…’ fluisterde ik terug, maar plotseling knalde er een donderslag op het drumstel, en daar was hij, Mano Solo. M.S.

Vanuit de coulissen sloop hij het podium op, en hij was klein en mager, zijn haar was kort en krullend, hij droeg een zwarte broek en een zwart mouwloos T-shirt en zijn ogen gloeiden achter een paars Zorro-masker.

‘Luister eerst naar dit…’ zei Hugo snel.

De zanger stapte nu in het volle licht, pakte de microfoon vast als een wapen en begon te zingen. En ineens was het publiek muisstil. Een laatste keer in het licht en dan nooit meer. Mano Solo zong. Het ene moment klonk zijn stem heel klein en stil, als een kind dat de zon ziet opgaan achter de gordijnen van zijn kamerraam, het volgende moment schreeuwde hij als een wanhopige puber na zijn eerste liefdesnacht, en dan weer klonk hij hees en zwak als een zieke op de kankerafdeling, snel als een gabber vol speed, hard als een Palestijn die stenen gooit naar Israëlische soldaten, snel en moorddadig als een Golf gti in een veel te strakke bocht, maar wat hij zei en zong en schreeuwde was altijd hetzelfde, het was brutaal en uitdagend, het was bitter en hoopvol, en het beroerde elk trommelvlies, elke hersencel in de buurt, en elk afzonderlijk haartje in mijn nek: hij vertelde ons dat hij dood zou gaan, maar dat hij nu nog leefde, en dat we dat verdomme zouden weten, allemaal.

Dat hij nog leefde. Blijkbaar vond de zaal dat hij daar nog even mee moest doorgaan, want er steeg een gejuich op dat de dood ver weg joeg, ver achter de horizon, als een ferry die verdween naar Engeland, en duizenden fans moedigden hem aan om dat leven van hem, dat zijden draadje, ze schreeuwden, joelden, stampten en floten op hun vingers, en ik wist niet wat me overkwam. Ik hapte naar adem, pakte Hugo’s arm, en Hugo staarde naar dat podium, naar dat stukje vlees van nog geen vijftig kilo, dat pakje botten dat rammelde in dat veel te grote vel, dat kleine kereltje dat de ziel uit dat lijf stond te schreeuwen en zijn schreeuw klonk als het leven zelf.

‘….’ Hugo schreeuwde iets in mijn oor.

‘Wát?!’

‘…’

‘Godverdomme, Hugo, ik versta je niet! Spreek duidelijk!’

Zijn lippen bewogen, ik plakte mijn oorschelp tegen zijn mond.

‘Zo leven, zo doodgaan!’ toeterde hij in mijn oor.

Zo is het, dacht ik, en inmiddels sloegen de decibels gaten als kraters in mijn middenoor –, de drum, de bas, de gitaren, de trombone, ze suisden en zwierden door de zaal en ik voelde alles trillen en dreunen. De zanger raasde, fluisterde, schreeuwde, vloekte en smeekte, en ik kon elk afzonderlijk woord van hem verstaan, hoewel mijn Frans nu niet echt denderend was.

Hij vroeg om stilte. Vierduizend kelen zwegen. De volgspot op hem viel even uit, liet hem en ons in het donker staan. Een stroomstoring? ‘Oooo,’ ging het teleurgesteld door de zaal, maar hij lachte kort en hikkend en stelde ons gerust.

‘Niet erg,’ zei hij, ‘ik zie het als een kleine repetitie. Een voorafspiegeling van wat me binnenkort te wachten staat. Zwart is het, en donker. En, trouwens, denk eens na… nee, echt, wees eerlijk… als jullie er echt eerlijk over nadenken … jullie houden van mij omdat, tja, omdat ik ook een beetje sterf in jullie plaats. Toch?’

Toen gaf hij een onzichtbaar teken, en op hetzelfde moment kwam het licht terug. Het strijkkwartet zette in.

‘Soms overkomt het me nog…’ fluisterde hij in de microfoon. En toen zong hij weer:

‘Il m’arrive encore de temps en temps

De sortir voir s’il y a des enfants

Il m’arrive encore des mariages soudains

Frôlés dans la rue, le temps d’un parfum

Il m’arrive encore de leur faire l’amour

De mentir un instant

Il m’arrive encore de pleurer sur mon sort

D’avoir peur de la mort

Mais je suis vivant!’

Deze laatste kreet deed de zaal haast ontploffen, en binnen in mij ontplofte er ook iets. Ik sloeg mijn handen tegen mijn oren en gilde mee met het publiek. Niemand hoorde me, maar toch was mijn gil anders, hij kwam van ergens anders. Mijn gil was vijf jaar oud, en niemand wist waar hij vandaan kwam. Hugo wel. Hugo zag het, Hugo zag mij, en Hugo hoorde mij. Hij sloeg een arm om mijn schouder, drukte me tegen zich aan, maar ik rukte me los.

Ik rukte me los en rende de zaal uit, door de gangen en de hal, door de glazen draaideur naar buiten – en daar, in de open lucht, op het Casinoplein, bleef ik staan, naar adem happend, mijn gezicht nat van de tranen, en daar schreeuwde ik het uit. Ik gooide met gesloten ogen mijn hoofd in mijn nek en schreeuwde nog eens. Mijn schreeuw weergalmde tegen de natte gevels. Niemand was me achternagerend. Niemand had me gehoord. Gelukkig. Achter de donkere balkondeuren van de flatgebouwen bleef alles stil en donker.

Wat een soap, Anna!

Het resumé in Humo: Anna (16) is schijnbaar een zorgeloze tiener. Maar dan wordt ze ineens geconfronteerd met een groot verdriet uit het verleden. Tijdens een concert maakt ze een hevige crisis door, maar als ze die overleeft, is ze klaar voor nieuwe uitdagingen, voor een nieuw leven…

Nou, jullie kunnen allemaal uitgebreid de pot op, ladies and gentlemen, beste televisiekijkers: het cliché is soms groter dan het leven zelf! Kon ik helpen dat heel mijn leven één groot cliché was?

Het plein was leeg en donker, en het glom nog van de regen. In het midden ervan stond een reusachtige stenen hand, een symbool van… een monument voor… eh… kon ik even niet opkomen, mijn vader had het me nog wel gezegd. Ik haalde diep adem en liep erop af. Ik ging in de grote handpalm zitten. De ruwe steen voelde koel tegen mijn rug. Beetje klam, maar dat kon ik wel hebben. Ik ging zitten en probeerde na te denken.

Ik had mezelf overschat, besefte ik. Dacht dat ik het allemaal wel aan zou kunnen. Dat ik nu wel gewapend was, na twee zulke brieven, en na mijn heldhaftige reis naar zee. De nieuwe Anna komt eraan, zet je schrap, wereld!

Ach, bullshit! Anna was een bangerik, en dat zou ze altijd blijven. Als een bange haas kromp ze ineen bij het minste lawaai. Anna was gewoon een heel klein meisje. Anna wou gewoon een eh, gewoon klein meisje zijn. Enfin, gewoon, een meisje, ziet u… Een gewoon meisje…