Ik ben Alice (samen met Alice Dupont)


Flaptekst

Fragment
Ik ben Alice (samen met Alice Dupont)

Ik ben Alice


Wanneer dat hele eetgedoe nu precies begonnen is weet ik nog wel, het was eind december of begin januari, nu bijna drie jaar geleden.

Maar waarom ik ermee begonnen ben? Geen idee eigenlijk, nu nog altijd niet. Want dat jaar (de 11de klas op de steinerschool – het vijfde middelbaar dus) was zonder meer het beste jaar van mijn leven. Ik had ongelooflijk goeie vriendinnen, ik had een goede relatie met mijn moeder, ik fuifde als de beesten, ik was net van mijn beugel af en ik had eindelijk borsten gekregen. Er waren minstens tien jongens in mij geïnteresseerd en ik was geïnteresseerd in minstens één van hen, en dat beviel me wel, want ik was er echt aan toe. Aan een lief bedoel ik, en aan seks. En op school begon het eindedijk ook een beetje te lukken, mijn eindrapport was absoluut niet slecht, mijn klassenleraar Thomas schreef in zijn eindevaluatie dat ik ‘betere en positievere manieren gevonden had om met mijn omgeving om te gaan’ en ‘dat ik veel ontvankelijker geworden was voor feedback’ en dat het ‘nu veel aangenamer was om met mij te werken, zonder dat ik iets van mijn charmante persoonlijkheid had ingeboet’! Dat stond er, echt waar!

De enige lelijke vlek op dat rapport, als een vliegenstront op een mooi wit blad, was een vuile opmerking over mijn eindwerk, godverdomme. ‘Je weet dat dat nog een belangrijke uitdaging voor je wordt, Alice!’ Ik had daar inderdaad nog niet veel voor gedaan, en het zou nog een hele klus worden. Maar goed, dat waren zorgen voor later, voor de twaalfde klas. Voorlopig zat ik nog altijd in de elfde klas en ik was zo aan het genieten dat ik soms bijna niet meer bijkwam van gelukzaligheid.

Ik kreeg bijvoorbeeld de hoofdrol in het schooltoneel: Juliet in Romeo & Juliet! De rol der rollen, én in het Engels nog wel! En dat voor een dyslectische sukkel als ik. Liters zweet en tranen heb ik gelaten voor die rol, want ik moest zo ongeveer dertig pagina’s uit het hoofd leren in het Engels! Terwijl ik de Nederlandse vertaling niet eens helemaal begreep. Ik heb gevloekt, gehuild, geschreeuwd, gestampvoet en heel het huis op stelten gezet, want dat doe ik altijd als ik in paniek ben. Ik in paniek, iedereen in paniek! Maar we hebben ook veel lol getrapt tijdens de repetities met eindeloze slappelachbuien tot gevolg, dit tot grote wanhoop van Thomas – onze klassenleraar was ook onze regisseur – die een paar keer met knallende deuren is weggelopen met de boodschap dat hij het kotsbeu was en dat we het zelf maar moesten uitzoeken! Maar het is gelukt, het is míj gelukt, en Thomas zei dat mijn vertolking ‘hem heel erg had aangegrepen’ en dat hij ‘versteld stond van mijn ernst en concentratie’ (nou moe). En na de première zei iedereen dat ik écht moest gaan acteren. Naar een toneelschool of zo.


Ja hallo.

Nee dus.

Alsof ik dat ooit zou durven.

Maar de mensen bleven maar aandringen.

Jawel jawel, zeiden ze, je bent echt goed, Alice.

Ik was wel blij met al die complimentjes, natuurlijk, maar nee, echt niet dus.

Jeezes, nee.


Wat ik eigenlijk bedoel: het was een heel goed jaar, dat jaar, en er was voor mij op het eerste gezicht geen enkele reden om met dat eetgedoe te beginnen.

En toch ben ik ermee begonnen.

Wat ik wel bijna zeker weet is hóé het begonnen is: op een bepaald moment wilde ik gewoon geen vuilnisbak meer zijn.

Dat was echt waar mijn bijnaam in die tijd, de ‘vuilnisbak van de klas’, en dat kwam omdat ik alles opat wat binnen handbereik lag. Alle broodtrommels waar iets in overbleef vrat ik leeg. Deels omdat ik toen al heel milieubewust was (tegen verspilling, weet je wel) en deels gewoon uit vraatzucht, vermoed ik – ik bedoel: ik stond daar gewoon niet bij stil. Ik vrat, punt uit. Het overkwam me.

Op sommige momenten kon ik gewoon niet stoppen met eten, het waren bijna vreetaanvallen. Je had er die joints rookten tot hun hersens verdampten, je had er die zich laveloos zopen, je had er die lijntjes snoven tot hun neus eraf viel. Ik zocht af en toe een kick in eten. Niet dat het me elke dag overkwam, maar áls het gebeurde, stopte ik me wel helemaal vol. Banaan, brood, yoghurt, kaas, rijstkoeken, smarties, snickers, wafels… Ik schoof alles naar binnen. En achteraf voelde ik me misselijk natuurlijk. Opgeblazen gevoel, gezwollen buik, gerommel in mijn darmen, diarree, scheten, oprispingen…

En op een dag had ik daar genoeg van. Ik wilde geen opgeblazen buikje meer, geen darmproblemen, ik wilde gewoon ‘gewoon’ zijn. Gewoon normaal. Normaal eten en normaal mager zijn. Normaal, snap je? Niet dat ik ineens begon te walgen van eten of zo, of dat ik een ziekelijk skeletachtig schoonheidsideaal nastreefde – god nee: in die tijd wist ik niet eens dat zoiets bestond! En ik wist nog minder van die beruchte anorexiasites, mijn god, ik wist niet eens hoe je ‘anorexia’ moest spellen op google! (Ik kon zelfs ‘dyslexie’ niet goed spellen. Nu nog altijd niet, trouwens.)

Ik wilde gewoon normaal mager zijn, punt.

Maar – typisch Alice – waarschijnlijk heb ik dat allemaal een tikje te radicaal aangepakt, en in plaats van een beetje minder begon ik ineens waanzinnig veel minder te eten, en voor ik het wist zat ik met een gigantisch probleem. Begin mei was ik nog helemaal blij met mijn platte buikje en mijn 44 kilo, maar in juni besefte ik dat ik de zaak niet meer onder controle had. Ik bleef maar afvallen in ijltempo, ik was als een renner die zichzelf in de afdaling niet meer kon bijhouden (‘Hé, rij jezelf niet voorbij!’ riepen we vroeger tegen elkaar als het hard bergaf ging) en niet meer kon stoppen. Remmen kapot. Op het festival van Rock Werchter (traditioneel het begin van de grote vakantie voor ons, kinderen van de streek, en altijd een heel groot feest van muziek, fun & drank, ) was ik een paar keer bijna flauwgevallen, maar mijn vriendinnen hadden gelukkig niks gemerkt. Half juli besloot ik om mijn moeder in te lichten. Maar ze was toen net op reis en ik was op kamp met de jeugdbeweging, en dus moest ik nog twee weken wachten, wat alweer 500 gram scheelde.